| Plan: | Sweelinckschool 2012 |
|---|---|
| Status: | ontwerp |
| Plantype: | projectbesluit |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0484.P015sweelinck2012-0002 |
Het nationaal ruimtelijk beleid is neergelegd in de Structuurvisie Infrastructuur en ruimte. Op 12 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vastgesteld. De structuurvisie vervangt verschillende nota's, waaronder de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040 en de Nota Mobiliteit. Verder schetst de Structuurvisie de doelen, belangen en opgaven van het Rijk tot 2028 en de ambities tot 2040. Uitgangspunt is de ruimtelijke ordening zoveel mogelijk over te laten aan gemeenten en provincies ('decentraal, tenzij…'), minder nationale belangen en eenvoudigere regelgeving. De nationale belangen die worden benoem betreffen de internationale concurrentiepositie, het gebruik van de ondergrond, het behouden en versterken van vervoer- en transportsystemen, de milieukwaliteit, de waterveiligheid en zoetwatervoorziening en behoud en versterken van natuur en cultuurhistorische waarden.
Alphen aan de Rijn maakt onderdeel uit van de regio Zuidvleugel. De structuurvisie zet voor wat betreft deze regio, en voor zover van belang voor Alphen aan den Rijn, in op het verbeteren van het vestigingsklimaat door het optimaal benutten en verbeteren van de bereikbaarheid, het borgen van de waterveiligheid en een het robuust en compleet maken van het hoofdenergienetwerk.
De nationale belangen uit de structuurvisie die juridisch borging vragen zijn opgenomen in de AMvB Ruimte; het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en het ontwerp van de eerste aanvulling hierop.
In het Barro zijn geen bepalingen opgenomen die van toepassing zijn op het nemen van onderhavig projectbesluit.
In 2006 heeft de toenmalige minister van VROM een beleidsbrief aan alle gemeenten geschreven met als onderwerp 'Nader beleid buitenspeelruimte'. In deze brief worden gemeenten gewezen op het belang van buiten spelen en het beschikbaar zijn van voldoende buitenspeelruimte. In genoemde brief wordt gesteld dat een goede ruimtelijke ordening ook het creeren van buitenspeelruimte inhoudt, waarbij onder meer gewezen wordt op openbaar toegankelijke sportveleden, schoolpleinen en daartoe geschikte delen van natuurterreinen. De miister verzoekt gemeenten in de brief om voldoende ruimte te bestemmen als formele buitenspeelruimte. Onderhavig plan kan gezien worden als een uitvloeisel van genoemd verzoek.